Posts tonen met het label duurzaamheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label duurzaamheid. Alle posts tonen

maandag 7 juni 2021

de heilige Geest en de Schepping

vrijdag 29 januari 2021

Een steppekiekendief in coronatijd (II)

 

Toen het coronavirus in Nederland met een opmars begon was het hier volop voorjaar. De natuur was zo mooi en er gebeurde van alles. Terwijl vliegtuigen aan de grond werden gehouden, kozen trekvogels massaal het luchtruim. Het was druk in de lucht, en het leek wel alsof de vogels des te meer opvielen bij het ontbreken van de bekende witte strepen.

De tjiftjaf was als eerste teruggekeerd uit landen die de grenzen hadden gesloten. Overal hoorde je ze weer zingen. Ooievaars stonden weer te klepperen op hun nesten. Ze vlogen hierheen via Frankrijk en Spanje. Landen waar niemand meer in of uit mocht.

Voorjaarsvlinders dwarrelden door onze achtertuin, en keken ook even bij de buren waar wij twee weken geen contact mee mochten hebben. Tijdens hun opvallende baltsvlucht hielden de citroenvlinders geen anderhalve meter afstand. Waarom zouden ze?  Knoppen aan bomen stonden op uitbarsten. Bloesem en fris lentegroen gaven de natuur weer kleur. Overal bloeiden narcissen, blauwe druifjes en hyacinten. Nog even, en de uiterwaarden van het Zwarte Water zouden weer vol kievitsbloemen staan.

 Zo bijzonder was dat, dat de uitbraak van het coronavirus  samenviel met deze jaarlijkse opleving in de natuur. Het contrast tussen de exploderende natuur en onze stilgevallen samenleving was groot, en gaf mij het gevoel dat wij mensen even wat minder belangrijk waren. We werden op onze plaats gezet.

Het leek wel alsof ik de trekvogels in de lucht een lange neus zag trekken naar de mensen die hoorden dat hun vliegvakantie niet doorging. Het was alsof de groene specht die ik in het bos hoorde roepen ons persoonlijk uitlachte. Híj kreeg geen snavelkapje aangemeten.

Maar de natuur leek zelfs te profiteren van de crisis waar wij midden in zaten. Het leek alsof  het voorjaar des te uitbundiger was, doordat wij even een stap terug moesten doen.

Dat leek niet alleen maar zo, het was ook zo.

Zo was in maart de amfibieëntrek in volle gang. Padden en kikkers kwamen bij stijgende temperaturen uit hun winterslaap en trokken naar nabijgelegen water om hun eieren af te zetten. Het enige dat veel van ons daar normaal gesproken van meekrijgen is dat er ineens overal doodgereden dieren op de weg liggen. Elk jaar weer sneuvelen in maart enorme aantallen amfibieën onder onze autowielen. Maar dit jaar was er een stuk minder verkeer op de weg. Op een zachte avond maakte ik een wandeling, en overal zag ik kikkers en padden hippen.  Hier en daar nog steeds een dood dier op het asfalt, maar het overgrote deel kon in alle rust de wegen oversteken. ‘Lang leve corona’ kwaakten ze.

Ook op andere plekken merkten ze dat de natuur opleefde toen wij werden stilgezet.  Een inwoner van de Chinese stad Wuhan schreef dat hij vanaf de vijfentwintigste verdieping van zijn flatgebouw vogels hoorde zingen in de stad. Voor hem een nieuwe ervaring. Normaal gesproken hoorde hij alleen  maar het geraas van verkeer.

Het schijnt dat de CO₂-uitstoot in China met maar liefst een kwart daalde in de eerste maanden na het uitbreken van de crisis. En de smog over grote steden in China was bijna verdwenen.

De natuur haalde opgelucht adem op toen wij de adem inhielden. Nogal confronterend was dat. We werden er indringend bij bepaald hoezeer wij de aarde belasten en uitbuiten met onze moderne manier van leven. Ineens zagen we het, nu we gedwongen werden om een stap terug te doen. De coronacrisis drukte ons er met de neus bovenop dat we niet goed met de aarde omgaan. De zucht van verlichting die de schepping slaakte maakte ons beschaamd.

 Maar op het moment dat ik dit schrijf zijn we al weer heel wat maanden verder. Er is een vaccin in de maak en het einde van de pandemie zou in zicht zijn. In China draait de economie al weer op volle toeren; zouden er nog steeds vogels te horen zijn in Wuhan? Ik vrees het ergste.

Zijn wij eigenlijk wel in staat om het roer echt om te gooien, om duurzamer te gaan leven en omwille van het behoud van de aarde een stuk welvaart in te leveren? Is consuminderen een serieuze optie of is een oproep in die richting bij voorbaat aan dovemans oren gericht?

De ijzeren wet van economische groei werkt niet in het voordeel van de aarde. In het systeem waarin wij zitten móet de welvaart per hoofd van de bevolking elk jaar blijven toenemen. Als dat niet gebeurt, ontstaat er een recessie. Dat brengt allerlei problemen met zich mee waar niemand blij van wordt, en daarom mogen er op het altaar van economische groei grote offers worden gebracht. Er moet en er zal onder de streep groei zijn. Er moet geproduceerd en geconsumeerd worden.

De gevolgen voor natuur en milieu zijn inmiddels  niet meer te ontkennen: ontbossing, klimaatverandering, zeespiegelstijging, plastic soep in de oceanen, bodemerosie, droogte en misoogsten, het uitsterven van dieren en planten etc.

Nu is het makkelijk om een systeem te veroordelen, maar ik maak er zelf deel van uit. Zo wordt mijn salaris bij elkaar gelegd door hardwerkende mensen die blij zijn als hun bedrijven winst maken. Ze zitten niet te wachten op een recessie, en dat begrijp ik. En afgezien daarvan lever ik mijn eigen bijdrage aan de uitputting van de aarde. In de pindakaas waar ik zo van houd zit palmolie. En laat de palmolie industrie nu  net verantwoordelijk zijn voor de kap van veel tropisch regenwoud. Ik heb ook een vierwieler voor de deur staan, met een benzinemotor. Zo eentje van één op veertien. De aanschaf van een milieuvriendelijke elektrische auto vind ik nog te duur. Korter douchen kost mij veel moeite, en ik produceer door de week een aanzienlijke hoeveelheid afval.

Er zijn momenten dat ik me er maar bij neerleg, maar mijn geweten blijft spreken. Het opeten van de aarde is goddeloos gedrag, falend rentmeesterschap waar geen excuus voor is. We bevinden ons op een weg die niet Gods weg is.

 Kan ons systeem veranderen en kan ik zelf het roer omgooien?

Mijn gedachten gaan weer uit naar de Steppenkiekendief (zie een steppenkiekendief in coronatijd I). Dat is een vogel met een bijzonder verhaal, een verhaal van nieuwe wegen. Steppenkiekendieven zijn trekvogels. Het broedgebied ligt in de graslanden van Zuidoost-Europa en Midden-Azië. In de winter trekt de vogel naar Afrika, India en Zuidoost-Azië. De Europese populatie gaat echter sterk achteruit, in landen als Moldavië en Wit-Rusland is de soort als broedvogel waarschijnlijk verdwenen door biotoopvernietiging. Toch wordt de vogel hier steeds vaker gezien. Regelmatig overwintert er een aantal in Nederland en recent kwam de vogel zelfs tot broeden in een Groningse akker. Het eerste broedgeval voor West-Europa. Nota bene een paar kilometer buiten Winsum waar wij toen nog woonden. De vogel broedt sinds een aantal jaren ook in Finland waar hij zich uit lijkt te breiden. Er lijkt dus sprake van een westwaartse uitbreiding, de steppenkiekendief verlegt zijn koers, verkent nieuwe wegen. Hij gooit het roer om. Zonder deze westwaartse uitbreiding was de steppenkiekendief wellicht al verdwenen uit Europa.

Was dit de boodschap van de vogel die op 20 april tijdens het hoogtepunt van de coronacrisis over ons huis vloog? Wilde hij ons laten zien dat het weldegelijk mogelijk is om nieuwe wegen in te slaan, en dat je daar niet mee moet wachten tot de oude wegen je ondergang worden?

Ik zie het beeld weer voor me van die slanke roofvogel die koersvast en met rustige vleugelslagen naar het noorden vloog. Was hij onderweg naar Finland? Of ging het richting een Groningse akker om daar op een vrouwtje te wachten? Wie zal het zeggen. In elk geval was het een vogel van de westwaartse uitbreiding, een kiekendief van nieuwe wegen, een vogel die mij op een indringende manier aan het denken heeft gezet: Het is mogelijk om nieuwe wegen in te slaan, maar wacht er niet mee totdat oude wegen je fataal worden, want dan ben je te laat.

Een steppekiekendief in coronatijd (I)

 

Het is 6 april 2020, even na tien uur ’s morgens. Ik zit in mijn werkkamer te staren naar de monitor van mijn computer, links en rechts van me liggen een opengeslagen bijbel, briefjes met aantekeningen en een to-do list.  In de vensterbank voor het grijpen een oude verrekijker van de kringloop, zo’n klassieke porro zeven maal vijftig die in ons gezin bekend staat als ‘de retrokijker’. Voor zeven en een halve euro een prima beeld, hij staat er voor het geval dat.

Ik neem nog een keer de overdenking en liturgie door, en zucht. Over drie kwartier begint wéér een rouwdienst, voor mij de vierde in amper twee weken. Het coronavirus heeft dit voorjaar hard toegeslagen in Hasselt. Ineens waren er overal zieken, en meer dan één werd het virus fataal. We werden volledig door de gebeurtenissen  overrompeld. Hasselt haalde het nieuws en veranderde een tijd lang in een spookstad. Het was uitgestorven op straat, mensen bleven angstvallig binnen. Er hoefde geen druk te worden uitgeoefend om afstand tot elkaar te houden. Toen dagelijks de klokken luidden begreep iedereen in onze Hanzestad hoe besmettelijk en gevaarlijk het virus was dat in korte tijd de wereld veroverde. We zagen de keerzijde van globalisering, de verspreiding van de ziekte deed denken aan domino-day: het ene steentje tikte het andere aan in een niet te stuiten tempo. De schrik zat er goed in.

Op 11 maart  - biddag voor gewas en arbeid - waren er nog kerkdiensten geweest, ook in de Ontmoetingskerk waar ik mijn werk mag doen. Er werd uit volle borst gezongen. De ouderling van dienst mocht mij weliswaar geen hand geven, maar dat was de enige maatregel waar we op dat moment mee te maken hadden. We deden er nog wat lacherig over. Zo’n vaart zou het allemaal niet lopen, dachten we. In Brabant, daar moesten ze oppassen. Onder de carnavalsvierders bevonden zich pechvogels die het virus hadden opgelopen tijdens hun wintersportvakantie. Maar dat was allemaal ver van ons bed. In ons rustige stadje zou het overwaaien als een dreigende lucht waar geen regen uit valt.

Wie had die avond kunnen bedenken dat dit voorlopig de laatste normale kerkdienst zou zijn? Eén dag later werd van hogerhand dringend geadviseerd om niet meer met grote groepen mensen samen te komen. Het virus begon namelijk een eigen leven te leiden in Nederland en virologen maakten zich grote zorgen. De overheid zag de ernst van de situatie in en nam ingrijpende maatregelen. Voor de kerken betekende het dat samenkomsten voorlopig niet meer mogelijk waren. Een ongekende situatie die niemand had zien aankomen en diepe indruk maakte.

Hoewel op dat moment nog lang niet overal in Nederland besmettingen waren, bleken we het virus in Hasselt wel degelijk onder de leden te hebben. Het ging sneller rond dan een spannende roddel. Het ene na het andere gezin moest in quarantaine. Onder de ernstig zieken waren ook veertigers en vijftigers, mensen in de kracht van hun leven die me achteraf vertelden dat ze op het dieptepunt van hun ziekte geen kopje meer konden optillen, zo gesloopt waren ze door COVID 19.

Vooral ouderen bezweken aan de ziekte. In korte tijd overleden veel mensen. De anderhalve meter maatregel die ook tijdens een uitvaart in acht moest worden genomen zorgde voor intens verdrietige situaties.

 Zo zit ik daar op die bewuste morgen even na tienen en overdenk de keiharde werkelijkheid. Ik hoop maar dat ik de familie die zo langzaamaan bij de kerk zal arriveren straks iets mee kan geven.

Plotseling klinkt er opgewonden geroep uit onze achtertuin: ‘Steppenkiekendief! Een steppenkiekendief!’ Twee van onze kinderen staan gewapend met verrekijker en telescoop al de hele morgen naar de lucht te kijken. De wind waait namelijk uit het zuidoosten, in het voorjaar altijd goed voor zichtbare trek van roofvogels.

Ik bedenk me geen moment, ren naar het dakraam dat uitkijkt op het noorden en duw het zover mogelijk open. Ik zie nog net een glimp van de kiekendief verdwijnen over de Ontmoetingskerk. Het is een volwassen mannetje, een slanke sierlijke roofvogel met egaal grijze bovenvleugels en op de handpennen een wigvormige zwarte vlek. Ongelofelijk! Hoewel het aantal waarnemingen van de steppenkiekendief in Nederland toeneemt is het nog steeds een hele zeldzame vogel. Niet veel vogelaars hebben deze soort op hun huislijst staan.

De bruine en blauwe kiekendief zijn bekender, en groter. De grauwe kiekendief die een comeback in Oost Groningen laat zien lijkt nog het meest op de steppenkiekendief.

Als de vogel uit mijn blikveld is verdwenen zie ik links van onze woning een zwarte lijkwagen aan komen rijden die stil blijft staan voor de ingang van de kerk. Twee mannen gekleed in zwarte pakken en  met een mondkapje voor hun gezicht stappen zwijgend uit de auto. Het voelt  niet goed om ze vanuit mijn dakraam te bespieden en ik trek me weer terug. De steppenkiekendief zal nu ergens boven het Staphorsterveld vliegen, als hij noordoost blijft aanhouden.

Ik ga naar beneden waar de jongens nog opgewonden en stijf van de adrenaline staan na te praten; ‘Hij vloog vlak over het huis! Ik dacht eerst dat er een torenvalk aankwam, zo slank was hij, tot ik de vleugeltekening zag!’

We geven elkaar lachend een high five. Ik vind het geweldig om mijn liefde voor vogels met onze kinderen te kunnen delen. Maar veel tijd heb ik niet om na te praten. Ik moet me omkleden, omschakelen, en naar de kerk. Het voelt ongemakkelijk om zo kort na deze opwinding de familie die ik moet bijstaan onder ogen te komen.

 Het was me een opvallende samenloop van omstandigheden, op die morgen van zes april. In de dramatiek van dat moment kwam voor mij veel samen: Het virus dat de hele wereld in de greep had en het voorjaar dat zich nergens iets van aantrok, de natuur die opleefde toen mensen werden stilgezet.

In een volgende blog beschrijf ik op welke manier de steppenkiekendief me aan het denken heeft gezet.

Dit is een ingesloten Microsoft Office -documentbestand dat mogelijk is gemaakt met Office .